In de kopgroep tijdens Daags na de Tour, de gruwelijk zware koninginne-etappe in de Transalp en de klimtijdrit van de Alpentour Trophy. Allemaal momenten dit jaar dat ik het uiterste van mijn lichaam vergde. Ze vallen echter in het niet bij de eerste 75 kilometer van het NK Marathon tijdens de Bart Brentjens Challenge van afgelopen zondag. Door de Voerstreek, over het Plateau van Margraten, drie uur lang presteerde ik op de toppen van mijn kunnen. Meer dan ooit reed ik het snot voor mijn eigen ogen.

Mijn tactiek voor een zo kort mogelijke uitslag bij de Masters 30+ leek te gaan werken. Leek. Want de hindernissen die ik onderweg tegenkwam zorgden er in de resterende 35 kilometer voor dat mijn zorgvuldig opgebouwde strijdplan langzaam maar zeker afbrokkelde. Daardoor werd het niet de gehoopte plek in de top tien (of liever nog top vijf), maar ‘slechts’ de zestiende. Twaalf posities lager dan vorig jaar, maar in een sterker veld en in (droge) omstandigheden waar veel meer bikers de de finish haalden. Niet alleen daardoor hield ik toch een lekker gevoel aan de wedstrijd over. Mijn strijdplan brokkelde af, maar ik stortte zelf niet helemaal in en hield toch nog best wat rappe mannen achter me. Maar waar ik nog nu vooral nog van kan genieten, zijn die eerste 75 kilometer. Ja, het was afzien bij de beesten, maar het was o zo gaaf.

Een terugblik van kilometer 1 tot kilometer 109.

Op de ontelbare kuitenbijters in de eerste 60 kilometer alles geven en dan aanhaken bij een snelle groep. Op het vlakke stuk tot kilometer 90 zoveel mogelijk herstellen en profiteren en dan in de laatste dertig kilometer maar zien waar het schip strandt. Mijn tijdens de verkenning bedachte tactiek is simpel, maar als ik in het startvak sta neem ik mijn plannen in gedachte toch nog een keer of drie door. Voor de eerste vijf kilometer heb ik alles nog concreter uiteengezet: op het vlakke geconcentreerd handhaven, bij de eerste versmalling bij ‘het grasveld’ de buitenbocht nemen en op de eerste beklimming diep in het rood om aan te haken.

Aan de voet van de tweede beklimming kan ik met pijn in mijn strot, een bonkend hart en ontploffende benen achter die drie doelstellingen allemaal een vinkje zetten. Het standje maximaal staat aan, maar ik rij tussen een aantal klasbakken waar ik vooraf een sterretje bij heb gezet als zijnde goede compagnons.

nkmarathonbbc5
De altijd chaotische massastart, ik sluit nog net aan bij het (super) grote peloton. Foto: Ben van Reeden
bbcnkmarathon4
Gefocust op een van de eerste beklimmingen, het peloton is nu één lang lint. Foto: Ben van Reeden

De klimmetjes volgen elkaar in razend tempo op. Het grote deelnemersveld is veranderd in één lang lint van bikers die hun posities aan het zoeken zijn. Soms valt er iemand terug, soms komt er iemand voorbij. Ik voel me goed, heb het weliswaar zwaar maar zie en hoor dat de gasten om me heen het ook niet makkelijk hebben. Niet alles verloopt volgens het koersplan. Ik maak een paar keer de verkeerde ‘wielkeuze’ en moet daardoor meerdere keren zelf de gaten die mijn voorgangers laten vallen dichtrijden. Dat dat allemaal redelijk makkelijk lukt is goed voor mijn moraal, maar slecht voor mijn energievoorraad.

Die voorraad heeft het sowieso al moeilijk, want op de drukke en chaotische eerste verzorgingsplek mis ik mijn bidon. Ik heb ’s ochtends er eigenlijk achteloos voor gekozen om met maar één klein bidonnetje te starten en voor die keuze geef ik mezelf goed op mijn donder. Ik moet nu tot kilometer 42 doen met een halve liter. Dat kan bijna niet goed gaan en dat doet het ook niet. Tijdens een steile klim net na een kort loopstukje over wat bruggetjes komen de eerste krampscheuten. Pijnlijk, maar ik kan doortrappen en hoef gelukkig niet te lossen bij het groepje waarin ik rij.

Dat groepje bestaat uit een aantal sterke amateurs (o.a. Tom Hoekman, later ook Paul Timmer) en flink wat directe concurrenten (onder meer de gebroeders Van Vuure, clubgenoot Joppe van Stiphout, vaste strijdmakker Mark van Schie en hardrijder Erik van Laar). Geen pakkenkoeken dus. Ik heb dan ook maar een doel: handhaven. Gelukkig heb ik inmiddels een nieuwe bidon gekregen van verzorger Jan en mede daardoor worden de krampscheuten wat minder.  Wel krijg ik op een andere plek pijn:  ik word op mijn voorhoofd gestoken door een wesp. Het leidt me even af,  maar ik kan gelukkig blijven aanhaken. Dat we met zijn allen meerdere te snel gestarte elite-renners oppikken, doet me goed.

bbcnkmarathon7
Eindelijk verse dorstlesser… Foto: Ben van Reeden
DSC_0291 (1024x681)
Het ging allemaal niet vanzelf.. Foto: Ben van Reeden

Ik begin wel meer en meer te snakken naar het zestig kilometerpunt. Hoewel ik minder kramp heb, telkens de klimmetjes en bloc oprammen begint zijn tol te eisen. Voor, op en na de ‘Koning van Spanje’ moet ik weer een paar keer diep in het rood om met een versnelling bij te kunnen blijven.  Die conclusie die ik trek is helder: een herstelstuk is erg snel nodig.

Waar ik me echter meer zorgen om maak is mijn achterrem. Ik heb er vooraf nieuwe blokken ingezet, maar toch moet ik mijn hendel steeds verder indrukken om te kunnen remmen. Richting verzorgingsplek drie (kilometer 60) heb ik geen remdruk meer over. Ik moet bergaf daardoor een gaatje laten. Ik weet dan in mijn achterhoofd dat ik op deze manier nooit fatsoenlijk naar de streep kan rijden. Op de laatste beklimming richting het ‘vlakke’ plateau laat ik daarom het groepje een beetje bij me wegrijden.

Mijn strijdplan kan de prullenbak in. Een voortijdig fiasco dreigt. Ik kan mezelf wel voor mijn kop slaan dat ik mijn rem niet beter gecheckt heb. Dan denk ik even aan de beestachtige zestig kilometer waarin ik zo hard gewerkt heb. Net op tijd. Ik kom terug op mijn keuze het te laten lopen. Met een krachtsinspanning uit mijn tenen (hallo kramp!) kan ik op de top toch weer mijn wagonnetje aanhaken. Waar ik hoop dat dit het moment is om even een beetje bij te komen, is het juist het tegenovergestelde.

Het tempo in de groep ligt hoog en doordat ik telkens wat eerder moet remmen dan mijn concurrenten, zit ik veel te veel met mijn kop in de wind én moet ik extra energie leveren om kleine gaatjes te dichten. Ik kan daardoor amper op adem komen en als de lekgereden Jasper Ockeloen (semi-wegprof) voorbij komt jagen, baal ik als een stekker. Waar ik bang voor ben, gebeurt: meerdere bikers proberen aan te haken bij deze TGV en de snelheid schiet nog verder omhoog.

bbcnkmarathon6
Zo’n chaos en hectiek, ik had pas laat de tijd om mijn sokken fatsoenlijk op te hijsen. Foto: Ben van Reeden

In een paar verschrikkelijke kilometers hang en wurg ik me na elke bocht of korte afdaling naar het laatste wiel. Een keer of tien denk ik dat ik definitief gelost ben. Waar bij mij in een koers die gedachte vaak meteen werkelijkheid wordt, lukt het me tot mijn eigen verbazing om telkens weer terug te komen. Een keer dicht ik zelfs een gat van een meter of vijftig. Hoewel ik er niet aan toekom om het me te realiseren, weet ik dat dit me op moet gaan breken. Dat gebeurt bij de Bemelerberg, kilometer 76. De listige afdaling ervoor moet ik voor de zoveelste keer een gaatje laten. De paar honderd vlakke meters richting de voet sluit ik weer aan, maar door met de hartslag diep in het rood voluit de eerste steile meters langs een trappetje op te rijden, trap ik het elastiek waar ik twintig kilometer aan heb gehangen doormidden.

Twee meter op Van Schie worden er drie. Worden er heel snel vijf, tien en meer. Ze zijn weg. Meteen uit het zicht ook. De kramp is terug. Mijn maag staat op zijn kop, ik baal, het is nog ver. Ik ben leeg, op. Zie het niet meer zitten. Sta in mijn gedachte dubbel geparkeerd in een te smal vak. Maar dan besluit ik voor de eerste keer deze wedstrijd een keer fatsoenlijk achterom te kijken en daar zie ik een grote leegte. En voor me zie ik ineens het pakje van ex-profcrosser Eddy van IJzendoorn. En hé, alhoewel het aanvoelt alsof ik straalbezopen op mijn stadsfiets naar huis aan het fietsen ben, ik rij wel nog steeds ruim boven de twintig per uur.

Het kost me moeite, mijn benen willen nog steeds niet en echt leuk vind ik het niet meer, maar ik vind mijn moraal weer een beetje terug. Van IJzendoorn haal ik in bij Cadier en Keer, op een volgend steil poefje passeer ik een stilgevallen eliterenner. Maar dan is het toch redelijk snel uit met de pret. Uit de achtergrond haalt een eerste groepje van een man of drie me in en dan word ik weer geconfronteerd met mijn niet functionerende achterrem: omdat ik op reserve moet dalen, verdwijnen in de eerstvolgende afdaling ook zij uit het zicht.

En zo gaat het de laatste twintig kilometer door. Het tempo van de groepjes of eenlingen (het zijn er niet zo heel veel) die me inhalen kan ik bergop en op het vlakke volgen, maar zodra er een langere afdaling is, ga ik nat. Aan de voet van de op één na laatste campingklim zie ik een grotere groep (met Van IJzendoorn en de lekgereden broers Van Vuure) aan komen rijden. Tegen beter weten in pers ik er op deze steile rakker nog een aardig tempo uit in de hoop ze voor te blijven, maar ze halen me bij. Gelukkig is de afdaling van de allerlaatste beklimming niet al te lastig, het verschil onderaan behapbaar  en – alsof ik nog geen gaten heb dichtgereden in de voorgaande honderd kilometer – vind ik weer de aansluiting. Zo rijden we met een man of tien naar de streep. In het sprintje kom ik er vervolgens niet aan te pas.

bbcnkmarathon1
Ook in de laatste afdaling nog gelost, sorry Harry (en bedankt voor de foto’s). Foto: Sportograf.com
bbcnkmarathon2
.. maar voor de zoveelste keer wel weer de aansluiting gevonden. Foto: Sportograf.com

Daardoor word ik zestiende, terwijl Joppe, de snelste man van het fijne groepje waar ik zo lang in reed, als zesde over de streep komt. Het verschil: een minuut of zes. Met de rest: een minuut of vijf. Je weet nooit, maar als ik de kramp een beetje binnen de perken had gehouden, hadden ze me niet denk ik niet meer losgereden. En wat als mijn rem gewoon gewerkt had?

Ik hoef het niet te weten. Wat ik wel weet*: dat ik nog nooit in zo’n goede vorm de winter in ben gegaan. Op naar 2016!

Link naar filmpjes onderweg

* Wat ik ook zeker weet: dat ik nooit meer met te weinig drinken start én dat mijn fiets niet meer snel een half uur op de kop zet. Waarschijnlijk de reden dat de remdruk achter langzaam maar zeker verdween.