Het was zo’n ding dat nog op mijn lijstje stond: een keer een cross-countrywedstrijd rijden in de Belgische Ardennen. Toen ik zaterdag in het uur voor de start van de Masters 30+ het parcours van de Benelux-Cup in Eupen aan het verkennen was, vroeg ik me echter af waarop deze lang gekoesterde wens gebaseerd was.

Niet alleen parelde tijdens het warmrijden het zweet dankzij een paar pittige kuitenbijters al van mijn voorhoofd, ook stond ik meerdere keren met knikkende knieën boven aan een afdaling te kijken hoe ik hier tijdens de wedstrijd toch heelhuids naar beneden zou komen. Toen ik voor een tweede keer rondging en her en der wat afkeek van proefrijdende concurrentie verdween die angst en kwam ik tot de conclusie dat het vooral gewoon een verdomd mooie rondje was, met wortels, drops (waar je gelukkig omheen kon rijden), switchbacks, rotsen en kombochten.

Alhoewel het me lukte om tijdens mijn verkenning overal veilig beneden te komen op mijn wederom top functionerende roze Ninth Stiffy, was het nog steeds geen rondje waar ik binnen mijn comfortzone kon rondrijden. Toch begon ik verrassend voortvarend. Terwijl ik dit jaar al meerdere marathonstarts heb verpest, ging het op de startklim in Eupen (over breed asfalt) best aardig. Ik gok dat ik binnen de eerste twintig overall bovenkwam. Toen ik na een half rondje filerijden vervolgens op de volgende beklimmingen nog een paar mannen inhaalde, begon ik voorzichtig te denken aan een onverwacht mooie eindklassering.

eupen1
Zoetjes aan op een van de singletracks naar beneden. Foto: Jan van Stijn

Dat duurde echter niet lang. Toen het veld eenmaal uit elkaar viel en iedereen zijn eigen tempo kon gaan rijden, werden mijn beperkte daalskills als marathonbiker pijnlijk blootgelegd. Met name in het snelle bochtenwerk verloor ik veel tijd en het duurde niet lang voordat ik een treintje met rappe dertig- en veertigplussers in mijn nek had hangen. Inhalen was namelijk best lastig.

Dat versterkte het buiten mijn comfortzone-gevoel dat ik had en ik besloot – ook met het oog op de naderende Alpentour Trophy – wat meer reserve in te bouwen. Ik liet wat mannen voorbij. Marco Hurkmans bleef als laatste over en niet lang nadat hij me er nog even fijntjes aan herinnerde dat je dit soort krappe bochten tijdens een marathon niet vaak tegenkomt, besloot ik ook hem te laten passeren.

Zo creëerde ik genoeg ruimte voor mezelf om zonder de druk van een aantal harder dalende renners in mijn wiel lekker rond te rijden. De gedachte aan vier dagen koers en eindeloos steile beklimmingen in Oostenrijk lieten me besluiten om ook bergop een tandje terug te schakelen en op marathontempo het laatste uurtje te volbrengen.

Ik werd nog gedubbeld door de kop van het veld, kon toen even zien wat écht hard dalen is, en hoefde daarom gelukkig geen zeven, maar zes rondjes te rijden om mijn 21e plek veilig te stellen. Want alhoewel ik heel veel plezier had, die zes rondjes waren meer dan genoeg om te kunnen concluderen dat ik in marathons iets beter uit de voeten kan.