Het was denk ik in 2005 toen ik, net als veel andere Nederlanders, mijn marathonseizoen begon met de Kellerwald Bikemarathon. Het was in de periode dat ik beide kanten van de bar van Café Boom in Cuijk regelmatig bemande en de vrijdag voor de start was dat – buiten mijn eigen schuld natuurlijk – ietwat uit de hand gelopen. De zaterdagse reis richting het aan de andere kant van het Sauerland gelegen Gilserberg bood me gelukkig voldoende tijd voor herstel. Ik stond die zondagochtend gewoon vol moraal aan de start voor drie ronden en een totaal van 127 kilometer en ruim 3000 hoogtemeters.

Een aantal van mijn vaste fietsmaten was in voorbereiding op de Transalp, voor mij op dat moment nog een ver van mijn bed show. Toch had ik het plan om hen toch iets van partij te bieden, in ieder geval in het begin. Een lang verhaal kort: daar kwam niets van terecht. Ik was (goh!) niet vooruit te branden en alhoewel de omstandigheden prima waren, besloot ik er na twee stroeve ronden een eind aan te breien. Ik kan me nog goed herinneren dat ik aan de finish zat te wachten en ik mijn fietsmaten vol strijdend en in een knappe tijd over de streep zag komen. De lichte jaloezie maakte de teleurstelling over mijn eigen prestatie niet minder, laat ik het daar op houden.

We zijn meer dan vijftien jaar verder en na twee coronajaren is bij de Kellerwald Marathon gelukkig alles weer gewoon zoals het toen ook was. Het is nog steeds de traditionele Duitse seizoensopener en het parcours (inclusief de geneutraliseerde startlus die aan het begin van dit millennium al overbodig was) is amper gewijzigd. Mijn laatste deelname was in 2019 en uit die editie neem ik mee dat je, ook zonder dat je de vrijdag ervoor iets te diep in het glaasje kijkt, deze marathon niet moet onderschatten. Het is een sloper, ook omdat hij zo vroeg in het seizoen wordt verreden. Eigen tempo vanaf de start kan zich lonen.

Zeker in de omstandigheden van dit jaar. Die zijn pittig. De dagen vooraf valt er flink wat regen en de paden zijn nog nat en modderig. Ook is het allesbehalve warm, een graad of drie om negen uur. Bij de start schijnt weliswaar de zon, maar er is ook nog natte sneeuw voorspelt. Ik kies er op het laatste moment nog voor om mijn overschoenen aan te doen, iets waar ik later op de dag geen spijt van heb.

In het startvak heb ik wel een vermoeden van de modder die ons te wachten staat, maar ik heb toch ook de hoop dat de koude nacht een en ander heeft doen opdrogen. Was niet het geval. Het regenjackie was gelukkig niet nodig, het bleef de hele dag grotendeels droog. Op wat natte sneeuwvlokken na. Foto: Alexander Rebs.

Als we na de neutralisatie voor het eerst offroad gaan, begint het modderfestijn direct. Ik lig door een wat rommelig begin (het droppen van mijn jackie en een flinke valpartij voor me) wat verder naar achter dan gehoopt en voor iedereen om me heen is het glibberen en glijden. De eerste honderden meters van de openingsklim zijn ook nog eens volop gebruikt voor bosbouw. Afijn, we zijn meteen door de zure appel heen. De blub klettert in grote hoeveelheden om de oren en tegen mijn Specialized-frame.

Ik heb me voorgenomen om vanaf quitte af aan mijn eigen tempo te rijden, maar zet tot aan de eerste top toch iets hoger in, om nog iets van plekken goed te maken. Dat lukt maar deels en na de toch wel pittige afdaling (hallo sporen) neem ik aan de voet van de tweede klim (de lastigste van de ronde) de definitieve beslissing om in de spaarmodus te gaan. Als ik vandaag wil finishen, dan is het verstandiger om aan het einde wat over te hebben. Ik zie daardoor Robin, die fietsmaat waar ik samen de Raid des Fantomes mee reed, snel uit het zicht verdwijnen.

Na de startklim en eerste afdaling werd ik bijgehaald door diesel (en ik vermoed oud-winnaar) Ramses Bekkenk, slachtoffer van de valpartij in de neutralisatie. Een verleidelijk wiel om in te duiken, maar toch maar besloten om wat te sparen met het oog op wat zou komen. Foto: Gerrie Dijkink

Alhoewel er soms een paar vlokken natte sneeuw valllen, valt het weer me mee. Wat niet meevalt: de ondergrond. Zeker de laatste vijftien kilometer van de veertig kilometer lange ronde zijn ronduit heftig. Veel modder, zo nu dan fikse plassen. Ik kom de trails niet echt soepel naar beneden, mis vaak de juiste lijn en ik heb mijn dropper-post echt nodig om het een beetje veilig te houden. Ik word meer en meer ingehaald en dat doet mijn moraal en concentratie geen goed. Ik ben er simpelweg een potje van aan het maken.

In gedachte heb ik dan de joker al ingezet. Op deze manier ga ik nooit drie ronden volbrengen. Zo rondrijden in de modder, met een smerige fiets en geen motivatie meer: dat heeft helemaal geen zin. Nee, twee ronden is prima aan het begin van dit (hopelijk) lange seizoen. Toch denk ik ook steeds vaker terug aan 2005 en het matige gevoel dat ik toen over mijn opgave had. Dat wil ik hier eigenlijk niet nog een keer meemaken. Mede daardoor besluit ik aan het begin van de tweede ronde nog één poging te wagen er iets van te maken.

Ik lijk hier soepel naar beneden te gaan en zowaar plezier te hebben in het vinden van het juiste modderspoor. Schijn bedriegt, ik lach vooral omdat ik de fotograaf van dienst ken. Hij was de coureur die ik klopte in de finale van de enige editie van de (nabijgelegen) Hunburg Marathon. Een van mijn leukste koersdagen ooit. Foto: Alexander Rebs

Ik ga het tempo rijden dat ik aanvankelijk van plan was – ietsje harder misschien wel – en vind mijn ritme terug. Op de twee langere beklimmingen van de ronde haal ik vlot weer wat concurrenten in, maar ik hou het gevoel niet echt ‘in koers’ te zitten. Als ik het glibberige laatste deel in ga, heb ik daarom nog steeds de optie open staan om er na twee ronden mee te kappen. Dan hoor ik van verzorger Joan, als hij me weer een verse bidon aangeeft, belangrijke info: ,,Robin zit maar drie minuten voor je.”

Dat valt mee, en als ik mijn fietsmaat vlak voor de doorkomst zie rijden hak ik de knoop definitief door: ik ga gewoon door. Robin en ik beginnen samen aan de derde ronde en we spreken af te proberen samen te rijden. Dat gaat niet door: terwijl ik mijn tempo kan volhouden, gaat bij mijn fietsmaat het lampje uit. Hij zet de joker in en laat het lopen. Ik zit inmiddels al bijna 5,5 uur op de fiets, maar rij voor mijn gevoel lekkerder dan het eerste uur. Dat komt ook omdat ik me aan het verheugen ben op een stuk bananenbrood dat Joan me gaat aangeven voor de finale.

Ook hier, na ruim vijf uur koers, lijk ik volop te genieten. Dat klopt al meer, al doet een stuk (zelfgebakken) bananenbrood dat me binnen nu en dertig meter in de hand wordt gestopt door Joan een goede duit in het zakje.

Als ik daar ook Erwin Bakker voor me zie rijden, heb ik nog wel zin in een mooie battle. Dat gaat helaas niet door. Het achterwiel van Bakker (,,Ik was de laatste ronde helemaal naar de klote maar moest van mezelf voor straf doorrijden”) bereik ik nooit en ik neem met mijn daalskills in gedachte het besluit om op safe naar de finish te rijden. Dat kost me in de laatste drie kilometer nog een positie. Ik neem het voor lief, en ben verbaasd dat ik met mijn tijd van 6.19 uur als negende finish en ook nog het podium op mag als derde dertigplusser.

Het laatste slingertje voor de streep was wat uitgebreid ten opzichte van voorgaande jaren, met een kort stukje offcamber-trail. Hier draai je het laatste stukje richting de doorkomst op en ruik je voor het eerst de geur van braadworst. Foto: Gerrie Dijkink

Alles in perspectief, de achterstand op de top drie overall is groot, en er zijn maar veertien man die de finish halen. Dat ik daarbij zit, daar ben ik dan toch best wel blij mee. Want ik weet hoe klote het kan voelen als dat bij de Kellerwald Bikemarathon niet lukt.