bikesight.nl

Blog

Rursee: over vorm en koersen in een échte kopgroep

Zijn sokken zijn hoog opgetrokken over zijn dunne enkels. Tijdens zijn fikse kopbeurt gaat hij zo nu en dan staan, en eenmaal zittend wiegt hij wat met zijn rug. Als hij nog één keer flink gesnokt heeft, laat hij zich aan de rechterkant van het schotterpad langzaam terugzakken naar de staart van de kopgroep die zojuist gevormd is.

Kijkend naar links neemt Sören Nissen de concurrentie in zich op. De tot Luxemburger genaturaliseerde Deen wint wedstrijden aan de lopende band en is overduidelijk een plannetje aan het smeden hoe hij vandaag ook de MTB Marathon am Rursee (95km/2500hm) aan zijn indrukwekkende palmares kan gaan toevoegen. Hij kijkt nog eens goed en telt vier mannen, waarvan drie in verschillende tonen blauw. Bas Peters van Giant kent-ie, net als de Duitser Robert Mennen. Van de derde jongen weet hij de naam niet maar, zo stelt hij vast, dat moet ook een hardrijder zijn. Een teamgenoot van de zo hem bekende Ramses Bekkenk bij KMC-Fruit to Go, en kuiten van-heb-ik-jou-daar.

Nissen realiseert zich dat het in ieder geval geen makkelijke strijd gaat worden, en hij kijkt nog eens naar de vierde coureur die met hem mee op pad is. Een onbekende. Felgroen snelpak, te lang haar – heeft-ie dat nu in een staartje gefrommeld – en overdreven veel gelletjes in zijn achterzakken. De sokken zitten goed hoog, zoals het hoort, en afgaande op zijn matig geschoren, maar zeer bruine benen moet hij net op een zonnig trainingskamp zijn geweest of deze ochtend veel te veel bronzing muscle oil hebben gesmeerd.

Hij kijkt ‘m in zijn ogen, ziet op zijn kin een paar bubbeltjes kwijl. Nee, hij weet het zeker. Deze jongen is nog nooit met hem meegeweest in een kopgroep. Wie is dat toch?

Nou, beste Sören, dat was potdomme ik zei de gek! Bezig met het planten van een volgende mijlpaal in mijn vernieuwde mountainbike-leven. Want ja: ik zat al wel eens eerder in een kopgroep van een vergelijkbare wedstrijd, won vorig jaar zelfs de Hünburg Marathon. Maar dat was andere koek. Een minder deelnemersveld, en/of ik hing aan een dusdanig strak gespannen elastiek dat ik binnen niet al te lange tijd richting de volledige rattenkermis werd gekatapulteerd.

Nee, dit is anders.

Nu ben ik écht one of the guys. Fucking hell. Ik zit er gewoon bij. En met wie!

Zonder al te veel verwachtingen, dus ontspannen voor de start met Robin, mede zzp’er met wie ik een paar dagen op een lokale camping stond ter voorbereiding (en omdat het kan). Rechts trouwe Bikesight-lezer Joost Slegers. Foto: Daniël Velsen

Net als Nissen neem ik de mannen met wie ik rij nog eens in me op. De favoriet himself heeft geen uitleg nodig. De KMC-man is Gerben Mos, vorige week nog winnaar van de Bartje200. Peters deed mee aan de Olympische Spelen, werd meermalen Nederlands kampioen en won ook al een respectabel aantal marathons. En Mennen was toen hij nog prof was de beste in de grootste wedstrijd die er is, de Cape Epic. Gelukkig kan ik met de winst in een clubwedstrijdje van Licht Verzet van afgelopen woensdag mijn bescheiden staat van dienst nog een klein beetje oppoetsen.

Maar ach, ik denk dat ik het respect van de mannen om me heen wel heb verdiend door hier semi-soepel mee te draaien en dat is ook waarom dit anders voelt dan die andere keren dat ik aan de kopgroep van een marathon mocht ruiken.

Nissen, Peters en Mennen op het moment dat ik al gelost ben. Hoe dat ging? Dat lees je hieronder.. Foto: Sportograf.com

De koers
Op de startklim ben ik de eerste die demarreert. Vanaf plek tien rij ik makkelijk naar voren, besluit instinctief het tempo door te trekken. Mos duikt op mijn wiel, neemt over en als we de eerste korte afdaling induiken hebben we een klein gaatje. Ik reken me nog niet rijk, weet wat voor mannen aan de start staan en zie dat er nog een hoop coureurs op het vinkentouw zitten. Op het volgende korte, maar retesteile poekeltje is het Nissen die overneemt. Mos zit er kort op. Ik moet een klein gaatje laten, wordt voorbijgestoken door Peters en Mennen, maar hang er als we links een vals plat stuk opdraaien nog aan.

Mijn verbazing is groot als er achter ons al helemaal niets meer te zien is. We zijn vertrokken, met zijn vijven.

Nissen voert het tempo op, Mos neemt van hem over als hij eens gaat kijken wat voor vlees hij in de kuip heeft. Als we beginnen aan de volgende lange beklimming (een pareltje) is het Peters die met een machtig verzet op kop sleurt. Mennen zit consequent in mijn wiel, ik heb het idee dat hij het moeilijk heeft. Zelf weet ik niet zo goed wat te doen. Ik hou me gedeisd, maar ondertussen word ik wel blij van het gemak waarmee ik het tempo kan volgen. Ja, ik zit hoog in mijn wattage, maar het is vergelijkbaar met de intervalblokken die ik de afgelopen weken deed.  Mijn hartslag is nog niet in de gevarenzone. Het gaat hard, maar ik ben me niet aan het opblazen. Dit kan ik nog wel even volhouden!

Dat betekent dat ik verder moet denken. Ik zit in een situatie waar ik nog nooit in heb gezeten en waar ik graag zo lang mogelijk van wil genieten. Ik weet echter ook dat ik iemand als Nissen nooit tot aan de finish kan volgen. Er gaat een moment komen (dat kan binnen een split-second zijn) dat de boel gaat ontploffen. Maar voorlopig heb ik de start en de eerste lange beklimming mooi overleefd. Ik stel mezelf een eerste doel: na de eerstvolgende technische afdaling staan mijn ouders te supporteren. Daar wil ik als allereerste de weg opdraaien.

In de aanloop neem ik voor het eerst sinds mijn demarrage de koppositie. Omdat Nissen op het lichtelijk natte asfalt geen risico neemt in de bochten, ga ik zonder al te veel problemen de downhill als eerste in.  Die heb ik verkend en ik ga daarom hard genoeg om m’n vier vluchtmakkers in m’n wiel te houden. Missie geslaagd. Nu hopen dat pa en ma een foto van dit heuglijke moment schieten.

Helaas liet ik mijn ouders dusdanig schrikken door als eerste het bos uit te komen, dat de foto mislukte. Dit is 10 kilometer later, als ik net alleen rijd.

De volgende beklimming. Nissen neemt weer over. Ik weet dat-ie steil begint, maar snel afzwakt en niet al te lang doorgaat. Ik plak op z’n wiel. Mijn moraal wordt nog hoger, want ik kan ‘m gewoon goed volgen zonder al te veel in het rood te gaan. Het is dat ik twee handen aan het stuur nodig heb, anders had ik mezelf in mijn arm geknepen. Even heb ik zelfs de hoop dat de rest eraf moet, maar dat is te mooi om waar te zijn. Sterker nog, op een uitloper gaat het tempo verder omhoog en zak ik terug naar de vijfde plek in de groep, op een paar meter. Met een versnellingkje richting de top rij ik terug naar het laatste wiel.

Ik heb dan al bepaald dat als er een versnelling komt die me wel te machtig is, ik voor een steady finish kies. De verschillen achter ons moeten groot zijn, we zijn met drie dertigplussers: het is zonde om met teveel waaghalzerij een goede klassering (en een categorie-podium) op het spel te zetten. Daarbij ben ik volop in voorbereiding op de Transalp en start ik daarom vrijdag alweer in de Zillertal Bike Challenge. Té lang het mannetje spelen en in de reserves duiken is niet verstandig.

Helaas komt die versnelling al snel en voor mij op een onverwacht moment. We zijn net geen uur aan het koersen en moeten van de fiets om via een houten bruggetje de Rur over te steken. Nissen en Peters  nemen de vrij lompe trap naar beneden op de fiets. Mos, ik en Mennen (in die volgorde) lopen. Van de brug trekt de Luxemburger vol door op het vlakke grindpad. Peters en Mos haken net aan. Mennen sprint me volle bak voorbij.

En daar is het gat. 

Het is maar een meter of vijftien, maar ik weet dat het m’n ‘doodsteek’ is. Ik trap de volgende steile klim van krap negen minuten aan hetzelfde wattage op als de colletjes hiervoor in een laatste poging er terug bij te komen. Maar dat is tevergeefs. Nissen versnelt door. Ik zie Mos lossen. Even heb ik nog de hoop dat ik met hem samen verder kan, iets dat een mooie test zou zijn voor de Transalp. Dan is Mos (samen met Robbert de Nijs) de hoge lat waar Bart en ik op ons richten.  Die vlieger gaat helaas niet op: op de volgende klim zie ik ook hem uit het zicht verdwijnen.

De vorige foto was van moeders, deze is van pa. Die liet ik opnieuw lichtelijk schrikken, door wat fanatiek om mijn bidonnetje te vragen.

Ik heb nog ongeveer 75 kilometer te gaan en ik weet wat mijn zojuist bedachte missie is: die vijfde plek veilig over de streep trekken. Ik geef mezelf krap een half uurtje om op wat tussenstukken enigszins te herstellen, maar rij de rest van de koers zo hard mogelijk door zonder mezelf over het randje te tillen.

Hoewel ik heel lang niemand zie (pas als er achterblijvers opduiken) kost me dat mentaal en fysiek eigenlijk geen moeite. Ik hou het wattageverlies beperkt, de tijd vliegt voorbij ondanks dat ik nog een keer hetzelfde rondje van 48 kilometer moet rijden. Voor mijn gevoel gaat alles vanzelf. Zo moet in vorm zijn voelen.

Alleen, alleen, alleen.. heerlijk op eigen tempo. Foto: Daniël Velsen

Moe, niet volledig uitgewoond maar wel volledig voldaan kom ik zo na 4.01u over de meet. Ik heb ongeveer 13 minuten verloren op winnaar Nissen, die Mennen net voorbleef. Nummer vier Mos zit zeven minuten voor me, achter me is het gat met vijf minuten iets kleiner. Als het nagenieten voorbij is (wat was dat eerste uur gaaf!) en ik op een goed gevuld podium heb gestaan als derde dertigplusser analyseer ik mijn race verder.

Fijn momentje hoor.. Foto: Daniël Velsen

Een van de zaken die ervoor zorgde dat ik zo makkelijk de 95 kilometer volbracht was een fot0 van het 30+ podium samen met Nissen en Mennen. Helaas ging die vlieger niet op en werden alle categorieën tegelijk het podium opgeroepen. Prima idee, overigens. Foto: Daniël Velsen

Ik kan niet anders concluderen dat dit een van m’n betere races ooit was, alhoewel ik ook wel een klein ‘wat als ik er langer bij gebleven was’ gevoel heb. Een ding is zeker: het gestructureerd trainen heeft nog steeds effect. Ondanks dat er soms best wel twijfel is of ik alle moeite, tijd en geld er wel in moet steken is het me nog steeds helemaal waard. Dit zijn de ritten waar je het voor doet. Het is vooral ook een goed teken met het oog op de Transalp.

Helemaal als ik me nog eens realiseer dat deze marathon het einde was van twee zware trainingsweken.“Dit is echt een trainingswedstrijd, verwacht er niet te veel van”, gaf trainer Hidde vooraf aan.

Zou ik er dan de komende tijd nog een schepje bovenop kunnen doen?

Rursee: over vorm en koersen in een échte kopgroep
To Top